Advertentie

VB – vacaturebank – banners – Hardwerkende – klik hier! – 1456×180
Voor de harddenkende Rotterdammer
Vers Beton – Elzeline Kooy – Democratische wederopbouw
Beeld door: beeld: Elzeline Kooy

Enkele weken na de gemeenteraadsverkiezingen is het alweer bijna een uitgekauwd punt: de historisch lage opkomst. Een enkel motief is er niet, zoals Eeva Liukku al schreef. Dat Rotterdam de dubieuze eer heeft om koploper te zijn in de dalende trend, mag nauwelijks meer verbazing wekken. Het past in een ouder beeld van Rotterdam: de stad waar onwetendheid en laag politiek bewustzijn hoogtij vieren. Waar de drempel om deel te nemen aan publiek debat en politiek te hoog is, en het vertrouwen laag. De stad die wordt gekenmerkt door veel laaggeletterdheid, een laag opleidingsniveau en een gebrek aan debatcentra. Het resultaat is een mix van passiviteit, protest en populisme.

Met de nieuwe wijkraden wordt hier andermaal geprobeerd iets aan te veranderen. Maar hierin wordt iets cruciaals vergeten: de rol van organisaties en plekken die niet direct aan politieke besluitvorming doen, maar wel opereren als belangrijke voorwaarde voor sociaal en politiek bewustzijn. Het is juist die democratische infrastructuur die aan vernieuwing en versterking toe is, voor het te laat is.

Zonder cultuur

Hoewel de democratische infrastructuur in heel Nederland onder druk staat, is het nergens zo duidelijk als in Rotterdam. Maar dit ‘onpolitieke’ karakter van Rotterdam is niet nieuw. Toen de auteurs van De Stad der Toekomst, de Toekomst der Stad in 1946 Rotterdam vergeleken met andere steden in Nederland, was hun typering ronduit dodelijk:

“Wel is [Rotterdam] tot nu toe vrijwel uitsluitend economisch georiënteerd; wel is de bevolking er verslaafd aan voortbrenging en verkeer; wel heeft zij de totaliteit van het leven, waarin alleen de echte levensvreugde gevonden kan worden, volkomen verwaarloosd; wel is haar bestaan daardoor voor het overgrote deel tot een troosteloze grauwe arbeidsslavernij en platte zinloosheid geworden, maar in de tekorten schuilen ook mogelijkheden.”

Een nu nog herkenbare karakterisering. Bovendien is er wellicht niets Rotterdamser dan de droogkomische constatering dat er in ieder geval veel te verbeteren is.

De opkomst tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen – lager dan het landelijke gemiddelde, het laagste van de grote steden, gemiddeld onder 40 procent en op Zuid nauwelijks boven de 30 procent – is in dit licht slechts het vervolg van het jarenlang aanvoeren van de verkeerde lijstjes. Arbeidersstad Rotterdam staat traditioneel te boek als ‘het lelijke eendje’. Stad zonder cultuur, wordt er weleens gezegd. Waarmee eigenlijk wordt bedoeld: zonder burgerlijke ‘hoog’-cultuur. En ook: zonder burgerlijke discussiecultuur. Bij het tellen van debatcentra, boekhandels, of boekverkopen, komt Rotterdam er in vergelijking met Amsterdam nogal karig van af.

Het gebrek aan een burgerlijke discussiecultuur wordt opgevat als probleem, want om kwesties politiek te articuleren, hebben burgers kanalen nodig om dat te doen. In de democratische theorie van Jürgen Habermas wordt de ‘wilde communicatie’ van burgers onderling in de publieke sfeer, via kanalen als politieke partijen, media en experts doorgesluisd en vervolgens vertaald naar de meer formele democratische sferen van stadhuis en parlement. De openbaarheid, wat in Nederland formeel bekend is als het maatschappelijke middenveld, ofwel de discussiecultuur die via debatcentra en boekhandels verloopt en doorvloeit in overlegorganen, is zo een voorwaarde voor de democratie.

Maar Habermas ontleent de normen voor de discussiecultuur van de democratische openbaarheid aan de burgercultuur, zoals die ontstond in de Europese koffiehuizen en salons in de 18e en 19e eeuw. Feministische en postkoloniale critici als Nancy Fraser, Gayatri Spivak, en Amy Allen stellen dat Habermas’ nauwe focus, op deze door welgestelde witte mannen gedomineerde ruimtes, problematisch is. Want ‘openbaarheid’ werd daar niet alleen gebruikt om discussie mogelijk te maken, maar ook om vrouwen, minder welgestelden, of andere culturen juist buiten de deur te houden.

Tegenwoordig gaat dit niet (meer) om formele uitsluiting, maar om vormen van expressie en samenkomen die voor de één gemakkelijker gaan dan voor de ander. Andere vormen van organisatie, die ook bijdragen aan de democratische openbaarheid, worden dan niet erkend.

Vandaar dat feministische en postkoloniale denkers eerder spreken van subaltern counterpublics, ondergrondse ‘tegenpublieken’. Denk bijvoorbeeld aan: tijdschriften, drukkerijen, bijeenkomsten en boekwinkels van vrouwenbeweging in de jaren ‘80 en ‘90 (zoals onlangs onderzocht door Dig it Up in hun tentoonstelling Gerse Vrouwen). Of aan krakerscafé’s of misschien ook de queer uitgaansscene in Rotterdam. Ruimtes voor verschillende en alternatieve vormen van organiseren dus.

De ondersteuning van die democratische infrastructuur gaat verder dan alleen plekken voor samenkomst. Politiek filosofe Bonnie Honig focust op de rol van publieke dingen – standbeelden, pleinen als het museumpark, bruggen – die ons eraan herinneren dat we deel zijn van een gedeelde democratie. Hoewel Honig vooral in de Amerikaanse context constateert dat publieke dingen in een ernstige staat van verwaarlozing zijn, ontsnapt Nederland hier niet aan. Ook hier is de neoliberale verwaarlozing en de populistische ondermijning van wat wij democratische infrastructuur noemen te voelen. Tot aan de stembus toe.

Tussen neoliberalisme en populisme

De rol van organisaties die publiek debat mogelijk maken is dubbelzinnig: via deze kanalen kunnen kwesties publiek en politiek worden gemaakt, maar ze kunnen maatschappelijke spanningen ook ‘bedekken,’ en daarmee neutraliseren of onzichtbaar maken.

Rotterdamse democratie bevindt zich daarom in een paradox. Aan de ene kant wordt de stad gezien als onpolitiek en niet-cultureel. Tegelijkertijd is het juist de afwezigheid van een burgerlijke discussiecultuur die zorgt dat politieke spanningen dicht aan de oppervlakte liggen. Zo is het uniek dat in Rotterdam een populistische volkspartij, Leefbaar Rotterdam, al jaren de grootste in de raad is – en niet de liberale politieke partijen die goed gedijen bij de burgerlijke discussiecultuur.

Leefbaar kwam op na de hoogtijdagen van het neoliberaal gedachtegoed in de jaren ‘90 van de vorige eeuw, als een zogenaamde oplossing van de tweestrijd tussen communisme en kapitalisme: de derde weg. Dat hield in dat het kapitalisme een soort ‘menselijk’ (ofwel sociaal) gezicht moest krijgen. Hiermee werd echter voornamelijk de sociaaldemocratie en de sociale welvaartsstaat ontmanteld, in naam van economische vooruitgang.

Het bleek het begin van de verdere ontmanteling en veronachtzaming van democratische infrastructuren. De meeste buurthuizen die vol goede democratische moed werden gebouwd in de jaren ‘70 en vroege jaren ‘80, werden in het decennium erop alweer gesloopt. De privatiseringen en bezuinigingen van de jaren ‘90 van de vorige eeuw zouden welvaart brengen. Dat leek te lukken, maar vooral voor een kleine groep burgers die het succesverhaal werd van die privatiseringen. Het populisme constateert deze scheefgroei in sociale effecten, maar accepteert de verwaarlozing van democratische infrastructuren en omzeilt die. De vertaalslag van de publieke sfeer wordt als het ware overgeslagen.

Populistische partijen hebben namelijk een eigen idee van hoe representatie plaatsvindt. Niet via de traditionele democratische infrastructuren, maar via een populistische leider die het volk direct vertegenwoordigt. Populisme versterkt de terugtrekkende beweging van het traditionele maatschappelijke middenveld om zo de claim – dat zij zelf het volk werkelijk representeren – kracht bij te zetten.

Dat is de paradox van een figuur als Pim Fortuyn: hij kwam op tegen de achtergrond van een falend neoliberaal beleid, maar tegelijk zette hij ook de populistische politieke toon voor de daaropvolgende twee decennia, die dat falende beleid eerder verankert dan tegengaat. Een paradox die ook nu nog de Rotterdamse politiek bespookt.

In het vreemde positiespel tussen neoliberalisme en populisme, die elkaar zowel als vijanden bestempelen, maar tegelijkertijd compatibel zijn en goed in elkaars omgeving gedijen, delven democratische infrastructuren het onderspit. Want waarom zouden we die infrastructuren moeten onderhouden, als we het ook kunnen overlaten aan de markt? Zo verkoopt de gemeente Rotterdam publiek vastgoed aan de hoogste bieder, privatiseert ze de programmering van buurthuizen, en laat ze sociale functies over aan filantropen. En voor populistische politiek is een maatschappelijk middenveld toch niet nodig. Representatie kan direct in de persoon of de partij. Liefst nog met een eigen medium om de achterban direct toe te spreken, zoals Truth social, het nieuwe sociale media platform van voormalig Amerikaans president Donald Trump of de innige banden die Berlusconi had met traditionele media.

Wijkraden en formele representatie

Waar traditionele vormen van representatie falen (denk bijvoorbeeld aan het slinkende ledenaantal van politieke partijen en vakbonden), worden politieke spanningen op een andere manier geuit, bijvoorbeeld in activisme of protest. Niet voor niets kent Rotterdam de laatste jaren sterke protestbewegingen, van onderwerpen die moeilijk te uiten zijn via de traditionele kanalen van het maatschappelijk middenveld. Denk bijvoorbeeld aan de Woonopstand, de Turkse en Koerdische protesten, de mars voor de toeslagenouders, en Black Lives Matter. Helaas vervliegt de energie die loskomt bij zo’n tijdelijke uitbarsting snel als die niet aansluit bij meer bestendige organisaties, en zich kan inbedden in bestaande democratische infrastructuren.

Ergens weet de gemeente dit ook: de ontkoppeling is voelbaar, burgers en bestuur weten elkaar moeilijk te bereiken. Vandaar ook de poging om met wijkraden in te zetten op representatie op wijkniveau, om zo dicht mogelijk bij de burgers die spanningen te kunnen vertalen in politiek. 

De wijkraden zijn een poging iets van de democratische infrastructuur van het maatschappelijke middenveld te reconstrueren. Om het gemeentelijk bestuur dichter bij de mensen te brengen, nu de raad niet meer via politieke partijen, vakbonden of andere geïnstitutionaliseerde vormen van community outreach in verbinding staat met burgers. Hoewel een focus op de wijk een lange geschiedenis heeft – van de commissie Bos die de wijkgedachte bepleitte om stedelijke ontworteling tegen te gaan, via het welzijnswerk en opbouwwerk van de jaren ‘70, tot het aanwijzen van Vogelaarwijken in de vroege jaren 2000 – zijn de huidige wijkraden als opvolger van de deelgemeenten de meest verregaande institutionalisering van de wijk.

Toch lopen de wijkraden het risico de plank mis te slaan. De gemeente versterkt hier formele structuren van representatie, via verkiezingen in een veelvoud aan kleine districten. Terwijl ze tegelijkertijd informele democratische infrastructuren veronachtzaamt. Zo ontstaat er een schil van representatie, maar is die niet gegrond in een dikker weefsel van bewonersorganisaties en de eerdergenoemde ‘tegenpublieken’. 

Zo kreeg bijvoorbeeld Ahmed Abdillahi, de beroemde postbode uit de Tweebosbuurt, niet voldoende stemmen (opkomst: 25%) om in de wijkraad voor de Afrikaanderwijk te komen. Op twitter merkte hij op dat dat moeilijk los te zien is van de sloop van de Tweebosbuurt: de mensen die op hem zouden stemmen, zouden inmiddels uit de buurt vertrokken zijn – hun huizen zijn gesloopt. Ook kreeg in 2021 de groeiende beweging van woonprotesten in Rotterdam, te maken met buitensporig politiegeweld. Kortom: wanneer lokale burgerinitiatieven het blijven afleggen tegen marktwerking, zoals Robbert de Vrieze op de verkiezingsdag schreef, zal het toevoegen van een bestuurslaag het tij niet keren.

Focus op wederopbouw

Zonder de wijkraden al meteen af te schrijven, is het belangrijk dat de experimenteerdrift meer gericht wordt op het verstevigen van de democratische infrastructuren van de stad, in plaats van de zoveelste poging overlegorganen van nieuwe energie te voorzien. 

Hier is het traditionele gebrek aan burgerlijke discussiecultuur in Rotterdam een voordeel: door te investeren in de veelheid aan overlappende tegenculturen die de stad eigen is, kunnen allerlei perspectieven zich uiten. Met oog voor wat zulke verschillende perspectieven weer kan binden, als gedeelde oriëntatiepunten die het politieke gesprek mogelijk maken. En niet slechts gericht op de letteren- of discussiecultuur zoals door Habermas beschreven. Denk aan initiatieven en organisaties zoals het Wijkpaleis, het Hiphophuis, de Niteshop, Dig it Up, het Verhalenhuis, Het Rotterdams Wijktheater, en meer formeel bijvoorbeeld Young010. Zulke plekken maken het mogelijk voor allerlei Rotterdammers om zich te organiseren als publieken. En dat doen ze op allerlei manieren: esthetisch via dans, film en theater; verhalend en affectief rondom diverse stedelijke ervaringen, geschiedenissen, en levende archieven.

Daarbij moet de gemeente vooral ook ruimte laten, een contra-intuïtief punt voor bestuurders. Wil je meer aansluiting zien, zorgen dat burgers zorgen en wensen kunnen articuleren, actief zijn in sociaal-maatschappelijke netwerken, ga er dan vooral niet te dicht op zitten. Investeer in de brede democratische infrastructuur, juist ook in de ‘wildere’ communicatie, bij bijvoorbeeld de zojuist genoemde organisaties. Organisaties die niet openlijk of formeel politiek zijn, die niet direct onder de gemeenteraad vallen, maar wel degelijk nodig zijn om een sterke politieke cultuur te creëren. 

En wellicht nog belangrijker, schuif niet de geprivatiseerde overheidstaken van de participatiemaatschappij op deze maatschappelijke organisaties af. Het zijn geen uitvoeringsorganisaties en zij kunnen die ook niet vervangen. Wel hebben ze een niet te kwantificeren taak, die cruciaal is voor een gezonde democratie: het kanaliseren van sociale spanningen, met de mogelijkheid om die te vertalen naar politieke kwesties. 

Rotterdam toont daarmee de mogelijkheid voor vernieuwing van de Nederlandse democratie: wederopbouw van de democratische infrastructuren.

Jamie_van_der_Klaauw

Jamie van der Klaauw

Jamie van der Klaauw is promovendus Politieke Filosofie aan de EUR

Profiel-pagina
Catherine

Catherine Koekoek

Catherine Koekoek heeft een achtergrond in architectuur en filosofie en is op dit moment bezig met haar PhD aan de Erasmus Universiteit.

Profiel-pagina
logodriehonderdduizendtweetien

Elzeline Kooy

Illustrator

Elzeline Kooy (Rotterdam) studeerde in 2013 af als illustrator aan de Willem de Kooning Academie. In 2014 behaalde ze haar master aan Sint-Lukas (kunsthumaniora) in Brussel. Momenteel werkt ze als freelance illustrator voor onder andere magazines en online platforms, met specialisatie in beeldverhaal.

Profiel-pagina